eigen foto
Fair-play aan het bord: wanneer wel en wanneer niet?
Is fair play wel fair play?Recent (in de negende ronde van IC) waren er drie voorbeelden van etiquette aan het bord te vinden op het internet. Het eerste was een spijtig medisch geval: Carlo Doossche van SK Oude God zakte in elkaar aan het bord tijdens de match tegen Brussel. Daarop werd op alle borden remise gegeven.
Een tweede voorbeeld las ik op de site van de Torrewachters, waarbij een speler zijn dame moest geven voor onvoldoende materiaal, zijn hand uitstak ten teken van opgave, wat door zijn tegenstander geïnterpreteerd werd als een remisevoorstel. Ook toen de verwarring was opgeklaard, bleef de man van MSV bij zijn oorspronkelijke aanvaarding van het “remisevoorstel”.
Het derde geval was opnieuw iets uit de 9de ronde van IC: bord zes van Brasschaat 1 stond gewonnen, maar misrekende zich plots en ging mat lopen. De tegenstander vond dat hij de overwinning niet verdiend had, en bood remise aan. Die luxe had hij, want met dat halve punt won zijn club de match (ik vraag me af of een speler hetzelfde zou doen, indien het volle punt nodig was geweest).
Mijn persoonlijke reactie hierop: het eerste geval kan ik begrijpen. We zijn mensen en zo’n zwaar voorval – zelfs zonder rekening te houden met de impact op de gemoedstoestand van de andere spelers – verdient met respect afgehandeld te worden.
In het tweede geval zou elke speler moeten weten dat het uitsteken van de hand in 95% van de gevallen een teken van overgave is. De resterende vijf procent is als de situatie op het bord als niet anders dan als remise kan gezien worden. Ik besef nu dat ik bij mijn IC-partij in de 9de ronde zelf bij mijn remisevoorstel (in een compleet gelijke stelling) gezondigd heb, door mijn hand uit te steken zonder een zet te doen.
De hand uitsteken is een vaak misbegrepen gebaar. Zo stak Ossi Weiner ooit zijn hand uit als bediener van Chess Genius in een PCA knock-out tornooi in London, omdat het programma remise aangaf in het pionneneindspel, maar Anand had verder gezien en wist dat hij kon winnen en dacht dat Weiner opgaf. Nadat het misverstand was uitgeklaard, werd verder gespeeld, en won Anand na nog enkele verdere zetten de partij. Anand had de eerste partij gewonnen, en in die tijd (1994) was elke remise van een programma tegen een topspeler een reclamestunt (zie bv ook dit eerlijke artikel van Ed Schroder (de partij tegen Polgar) - deze pagina is in zijn geheel trouwens interessante lectuur), vandaar dat Weiner graag met “slechts 1,5-0,5” de boot was ingegaan, maar dat gunde Anand hem dus niet.
Het derde geval heb ik zelf al aan beide kanten van het bord al diverse keren meegemaakt. Een speler staat gewonnen gedurende de hele partij, maar blundert en staat verloren. Dat zijn zeer zure nederlagen (zie mijn zevende ronde in Böblingen), en de overwinning smaakt ook maar half-half voor de andere speler (zelfs al vond Donner dat net één van de hoogtepunten in het schaken – een onverdiende overwinning van voor de poorten van de hel wegslepen). Niettemin, emoties tellen voor mij dan niet mee, en zo’n remisevoorstel “uit medelijden” moet niemand van mij verwachten – ik verwacht het ook niet van mijn tegenstanders.
Wanneer bv van een speler de gsm afgaat (is één van onze (Brasschaat 2) spelers overkomen in Gent, dan is het bij mij van “stop maar de klokken”. Wel, tenminste tot voor kort, de regels hierover lijken elk jaar te veranderen. Wat dat betreft vind ik de regel ivm polshorloges een beetje vergezocht, maar begrijpelijk.
What’s next: hoorapparaten, slimme brillen, slimme kledij. Maar ik wijk af. We spelen volgens (FIDE/KBSB)-regels, en een speler heeft niet het recht om op eigen houtje de regels volgens eigen goeddunken aan te passen, want dan spelen we niet meer FIDE-schaak, maar iets anders, en daarvoor kom ik niet aan het bord.