eigen foto
Schaaktraining - een persoonlijke invulling (deel 2)
Het vervolg van mijn eerdere artikel rond hoe ik de draad weer oppakte na mijn zevenjarige sabbatical in de schaakwoestijn.Voor de openingen moest ik een keuze maken: mijn huidig repertoire is maar zo-zo, want ik had er in mijn “beter worden periode” (1988-1995) jammer genoeg nooit echt structureel werk van gemaakt. Ik heb trouwens nog altijd last van mijn “verkeerde opvoeding” qua openingen. Voor de jongere lezers: ik (bouwjaar 1968) begon in een club te spelen eind 1984 en in die tijd hadden we geen computer. Mijn eerste computer kreeg ik in 1988 – dat was een Atari Mega ST2 met al snel Psion Chess erop. Voor de niet-ingewijden: Atari was de Apple van den Aldi; het ding kostte 60.000 BEF maar stond grafisch veel verder dan de Intel-gebaseerde computers met DOS. Psion Chess was toen toch goed voor 1900 elo, dus gelukkig was dat er nog. Internet kwam er nog later - dat raakte pas ingeburgerd rond 1995 - mijn eerste surfavond naar de Internet Chess Club vergeet ik nooit. We moesten het verder doen het met het eigen clubblad de Torrewachter, de weinige schaakboeken die je kon krijgen, en het Franse maandblad Europe Echecs dat je in de boeken- en papierhandel Club in de Ooststraat kon kopen. Verder raakten we alleen maar aan boeken door de standjes van verkopers af te lopen bij grote open tornooien, aangevuld met een zeer occasioneel bezoek aan een “echte” schaakboekenhandel. Amazon bestond natuurlijk nog niet en van de Informator had bijna niemand in de club ooit gehoord.
Je kan wel leuke partijen spelen met gambietopeningen, maar veel strategisch begrip (planning) hangt daar niet aan vast. Dus moest ik bij mijn heroptreden op zoek naar nieuwe openingen of mijn bestaande openingen solider maken. In een ver verleden had ik tegen 1.e4 e5 al geëxperimenteerd met Koningsgambiet, Italiaans en Middengambiet. Uiteindelijk besloot ik om het Schots te nemen, wegens soms nog aanleunend bij mijn dierbare Middengambiet. Een echt moeilijke opening is het niet (een beetje zwartspeler heeft wel een goed lijntje tegen het Schots), maar als ik wil, kan ik in het Schots ook theoretischer lijnen aansnijden (zie bv de partijen van Kasparov). Een uitstekend repertoireboek voor het Schots vond ik Barsky’s “The Scotch Game for White”.
Als je 1.e4 speelt, heb je meteen al een arsenaal nodig aan openingen, en elke opening heeft zijn eigen varianten, dus gewoon al 1.e4 e5 spelen 2.Pf3 kan al leiden tot Russisch, Philidor, de Leeuw, en zelfs Lettisch en het Olifantengambiet, om maar te zwijgen van heel rare overgangen naar Pirc of Siciliaans. Na 1.e4 e5 2.Pf3 Pc6 3.d4 komt er gelukkig maar weinig meer bij qua afwijkingen. Wel hebben we nog wapens nodig tegen het Frans, Caro-Kann, Pirc/Ufimtsev/Robatsch/Modern, Aljechin, Skandinavisch... Daarbij komt nog dat het Siciliaans nog gemakkelijk een tiental hoofdvarianten biedt die je als witspeler kan tegen krijgen. Met andere woorden: een repertoire uitbouwen is niet gedaan in één avondje. Dus twee openingen met wit vertaal ik als Schots + een lijn tegen de halfopen openingen.
Met zwart heb je sowieso 2 openingen nodig; tegen 1.e4 en tegen 1.d4. Siciliaans ligt me wel, en hoewel de Sveshnikov een moeilijke opening is, wou ik ze initieel toch aanhouden, wegens voldoende complex en goede ervaringen. Maar omdat de Svesh enorm rijk is aan mogelijkheden, werd die als niet praktisch voor een clubspeler, verticaal geklasseerd. Een veel flexibeler opening, waar het meer op begrip dan kennis aankwam, was de Hedgehog – en ook hier werd ik ondersteund door het superboek (eigenlijk 2 boeken) van Shipov, dat eigenlijk een de facto Hedgehog-bijbel is. Dat betekende dus op 1.e4 de Siciliaanse Kan / Paulsen / Taimanov. Tegen 1.d4 speelde ik vroeger met relatief succes de Benko, maar daar was ik een beetje op uitgekeken (wegens “altijd hetzelfde”), en ook hier koos ik voor begrip ipv kennis, en dus werd het Nimzo-/Dame-Indisch – een systeem dat me aangenaam verraste. Een apart probleem had ik met het dameloperspel, waar ik specifiek een lijntje moest zoeken, maar hier bleek QID flexibel genoeg om ook daarvoor als antwoord te dienen.
Tegen 1.c4 (en 1.Pf3) behield ik eerst mijn keuze van symmetrisch Engels, met mogelijkheid om eventueel in de Hedgehog / Maroczy te raken. Na een kleine tegenvaller in die opening (een ontgoochelende remise tegen een collega clubspeler, ben ik dan toch omgeschakeld naar “echt” Engels (1.c4 e5). Ik moet bekennen dat ook dat geen groot succes was – heb blijft een werkpunt. Misschien moet ik maar weer teruggrijpen naar mijn allereerste opening die ik ooit tegen 1.d4 speelde: Slavisch... wie weet... De resterende openingen (1.b3, 1.b4, 1.f4 ...) kon ik met één lijntje counteren. Je krijgt dat nauwelijks op het bord, dus één voorbeeldpartij voor de middenspelthema's als houvast was voldoende.
Om mijn taktische vaardigheden en spelritme te onderhouden, speelde ik aanvankelijk op enkele platformen blitz (3+2) en bullet (2+1) (Playchess, chess24.com, chess.com en lichess, waarvan algauw enkel de twee laatste sites overbleven). Bullet bouwde ik af, wegens te weinig relevant voor echte schaakkennis (teveel automatisme, teveel gokwerk, geen rendement, stress in plaats van plezier). Geleidelijk kwam daar een occasionele rapidpartij bij, wat de “serieux” van de partijen ten goede kwam, en beter relevant testmateriaal opleverde voor mijn openingen. Taktische puzzels bieden deze sites ook aan, dus dat deed ik dan ook maar. Op mijn Samsung gsm heb ik o.a. Shredder Chess staan, dat heel goed zijn speelsterkte aanpast aan je schaakniveau (om mijn witopeningen te oefenen, speelde ik hier enkel met wit).
Tot zover deel twee; een volgende keer een woordje over middenspel en eindspel en mijn eerste ervaringen na zeven jaar kaltgestellt geweest te zijn.