Tarrasch-Thorold, Manchester 1890
Schaaktraining - een persoonlijke invulling (deel 4)
Deel vier uit een reeks van vijf artikelen over mijn persoonlijk trainingsschema.Deel vier alweer van mijn zoektocht naar een solide en gestructureerde manier om mijn schaakvorm op peil te brengen en te houden. In een vorig deel had ik het al over het materiaal dat ik hiervoor gebruikte, nu wil ik wat verder hierop ingaan.
· Qua boeken gebruikte ik divers materiaal, zowel pdf’s als “echte” boeken, en één van de “nieuwe” (pdf) boeken die ik zo leerde kennen was het (vrij op internet te vinden) boek van Hort en Jansa “the Best Move”, een boek met 230 best moeilijke stellingen waar je uit drie mogelijke voortzettingen kan kiezen om de stelling correct te beoordelen. Het doet denken aan de testboeken van Euwe en Mühring, maar wat strategisch denken betreft, heeft het boek volgens mij slechts één echte opvolger gekregen: “Test your positional play” van Bellin (nog altijd een aanrader).
· Een uitstekend (en recenter) boek is dat van Flores Rios (Chess Structures), een beetje de opvolger van Shereshevsky’s Mastering the Endgame. Hopelijk komt hier ooit een vervolg op met de in dit boek nog niet behandelde pionnenstructuren. Een goede aanvulling op Shipov’s the Hedgehog vond ik Understanding Maroczy Structures van Mohr en Mikhalchishin, hoewel er veel (ongecontroleerd en oppervlakkig) copy/paste-werk aan te pas gekomen is bij de analyses. Je moet al moeite doen om als schaker nooit met een Maroczy geconfronteerd te worden, dus het boek was sowieso nuttig – hoewel het hier en daar nog iets grondiger mocht.
· Een ander boek dat ik sterk heb leren waarderen, en helemaal uitgelezen en nagespeeld heb, was Jonathan Hawkins’ boek (Amateur to IM), waarin hij zijn methode beschrijft om sterker te worden. Hij is ondertussen IGM, maar hij was nog altijd maar een speler van 1800 elo toen hij 18 was. Met een goed geheugen voor openingstheorie, dat wel, maar om 700 punten te stijgen als jongvolwassene, chapeau. Kort samengevat: hij vond dat eindspelen het meest bijbrengen aan de speelsterkte, en dat openingen niet meer dan 30% van je studietijd in beslag mogen nemen – zie ook de bemerking aan het begin van deze artikelenreeks.
· Qua programma’s gebruikte ik Chessbase, met divers materiaal. Als engine gebruikte ik vooral Stockfish (98%), FatFritz (1%) en Leela (1%) (dit alles op mijn laptop van 2019). Stockfish is goed voor een ultrasnelle foutendetectie, terwijl Leela (en FatFritz2) goed is om de positioneel juiste zet te vinden, of toch minstens goed voor een second opinion. De laatste versie, Stockfish 16 bracht volgens mij het beste van twee werelden bij elkaar, en dat is nu mijn standaard engine. Ook het occasioneel trainen met de Lomonosov-app (het orakel voor eindspelen tot en met 7 stukken) is een bij momenten een leuk tussendoortje – kan je K+T+L vs K+T, of K+L+P vs K, of K+T+p vs K+T, of K+T+p vs K+L oefenen. Maar na de oorlog in Oekraïne werden de databases afgesloten voor westerse gebruikers en ging dit dus op de schop.
Uiteindelijk kristalliseerde mijn aanpak zich in volgende formule, waar ik me nu tot voor kort aan hield:
· Elke maand één opening bekijken (dus 6x wit en 6x zwart per jaar)
· Elke maand één middenspelboek doornemen – dat hoeft niet helemaal doorworsteld te worden, het jaar erop komt het weer aan bod
· Elke maand één eindspelboek doornemen – voor januari is dat bij mij bv Lunds “Rook vs two Minor Pieces” (handig voor mij omdat dat eindspel bijna rechtstreeks uit het Schots kan ontstaan)
· Daarnaast natuurlijk ook de analyse van mijn eigen partijen die ik speel – ik bekijk dan ook even mijn vroegere (otb of internet) partijen met de opening uit die partij
· Natuurlijk bereid ik me wekelijks wat voor op mijn te spelen partijen in het weekend.
Dit is inderdaad een zwaar schema, en vaker dan niet heb ik dit ambitieus plan moeten laten varen. Jammer, want de grote kracht van schaaktraining ligt vooral in herhaling – het is een stokpaardje van schaakcoach Noel Studer, en onlangs (in een interview in de Sinquefield Cup) gaf Caruana ook mee dat als hij een opening twee weken laat liggen, hij toch bepaalde zaken vergeten is. Met een voltijdse job en een tweede job in mijn vrije tijd blijven er niet veel mogelijkheden om te trainen over, dus is het vaak krabben om toch iets te doen. Ik vermoed dat schakers mij misschien een mummie gaan noemen, iemand die veel tijd steekt in schaken, maar eigenlijk niet genoeg gefocused is. Daar zit een grond van waarheid in, maar dat ik veel aspecten van schaken apprecieer ligt eerder aan het schaken, niet aan mij . In het laatste artikel uit deze reeks ga nog wat dieper in op mijn learnt lessons.