eigen foto
Schaaktraining - een persoonlijke invulling (deel 5)
Slotartikel over een persoonlijk trainingstrajectDeel 5 en slot van mijn zoektocht naar de holy grail van schaaktraining. Wat leerde ik vooral uit mijn traject:
-
Rubinstein is een goede leermeester – neem zeker eens de tijd om zijn partijen te doorlopen in Fritz of Chessbase (of lees eens Gelfands Positional Decision Making in Chess – Gelfand is een groot fan van Rubinstein). Gedurfd, fris schaak, romantisch bijna, maar met bijna een moderne toets: volhardend à la Carlsen, en vanuit de opening al een idee hebben naar welk eindspel het kan evolueren. Tussen 1910 en 1914 was hij de beste speler ter wereld. Ik onderstel anderzijds wel dat veel grootmeesters te herontdekken zijn – van Aagaard tot Zemgalis. Kies gewoon een speler, die goed bij je past (en die ideaal jouw openingen speelt).
-
De klassiekers blijven het waard om herspeeld te worden (de WK- en kandidatenmatchen, de grote historische tornooien (denk oa aan IZT’s, Zurich 1953, AVRO 1938, Montreal 1979, de Karlsbad-tornooien, de Linares-tornooien, het Polugaevsky tornooi in Buenos Aires met enkel Siciliaanse partijen, ...). Goede boeken zijn zeker Kasparov’s serie My Great Predecessors (mijn persoonlijke favoriet is “Revolution in the 70’s”, wat bijna een openingsboek is), maar er zijn voldoende andere referentiewerken met “beste partijen”, of prima tornooiboeken (San Luis 2005 is een onderschat meesterwerk). De reden dat “oude” partijen zo leerrijk zijn, is velerlei: het sterkteverschil was vroeger veel groter: er waren nauwelijks tornooien, waarin alleen de topspelers aan meededen. Vaak was het historisch eloverschil gemakkelijk 300 punten of meer tussen de beste speler en de zwakste. Daarnaast speelde de opening een veel kleinere rol, zodat het er veel meer op aan kwam om goede middenspelen en eindspelen te spelen. Door de zwakkere tegenstand, is de klare lijn van winstvoering veel duidelijker in die partijen. Een goed overzicht van klassieke taktiekjes biedt bv Smith en Tikkanens “Woodpecker Method”. Ook Van Perlo’s Endgame Tactics is een topper.
-
Mijn eigen partijen verloor ik vroeger voor circa de helft door onderschatting van de tegenstander, door ondoordacht spelen, door half-bewust en te optimistisch voor interessante zetten te kiezen (schaken moet “leuk” zijn nietwaar), zonder dat de stelling erom vroeg. De andere helft verloor terecht ik door op sterkte overspeeld te zijn. Wanneer je in vorm bent, kan je je gebreken nog verdoezelen door te vissen in troebel water, maar als je tegenstander nuchter blijft en geconcentreerd achter het bord zit, is dat gewoon vragen om een goede afranseling. Dat gebrek heb ik nog altijd, maar elke partij serieus nemen (en spelen tot de laatste kans) is een stap in de goede richting (daarom is rapid spelen op internet ook beter dan blitz – en blitz beter dan bullet). Anderzijds moet je ook niet te snel opgeven, wanneer je bv een pion achter staat in een toreneindspel. Soms is je tegenstander ook gewoon tevreden met remise tegen een hoger gekwoteerde speler – het speelt allemaal mee! En soms wint gewoon de aanhouder – en dat is de les die Fischer en Carlsen ons leren: speel tot de laatste kans! Mirakels gebeuren echt op het schaakbord.
Belangrijkste vraag is echter of dit trainingsprogramma iets opgebracht heeft, zelfs al volgde ik het niet zoals gepland. Ik moet zeggen dat mijn middenspel op sommige punten wel verbeterd was (beter begrip wat te doen in bepaalde stellingen), en mijn eindspelbegrip is ook verhoogd. Maar om dan in praktische stellingen (in bordschaak, blitz of tijdnood) de juiste zetten te spelen, dat is iets anders. Daarvoor ben ik nog altijd te oppervlakkig bezig – te weinig drill, te weinig herhaling, te weinig focus. Tijd blijft altijd een issue (zeker met mijn bijberoep), en vaak vallen er grote gaten tussen trainingssessies, wat nefast is voor het “etsen” van kennis in het geheugen.
Anderzijds moet ik zeggen dat ik geen goed geheugen heb voor openingstheorie, dus een aanpak zoals Brabo, die 99% van zijn werk in zijn openingen steekt, kan ik niet kopiëren. Net als Reshevsky heb ik een waardeloos geheugen voor openingstheorie. Ik ben meer het type “Miles”: ik moet partijen spelen om feeling te krijgen met openingen, middenspelthema’s, eindspelen... Vandaar dat ik wel degelijk train op opening, middenspel en eindspel, maar dat het effectief spelen voor mij veel meer nut oplevert. Net daarom heb ik wel herhaling aan het bord nodig: hoe meer parate kennis, hoe beter – vergelijk het met de woordenschat van een taal. Vandaar dat het mijn voornemen is om de boeken van Shipov, Rios, De la Villa en Hawkins in een “eindeloze loop” te zetten: ik ga ze elk jaar terug doornemen.
Openingsstudie werkt voor mij soms zelfs omgekeerd: wanneer ik me herinner dat in een “gelijkaardige” stelling een bepaalde zet goed is, is het me al diverse keren overkomen dat ik de zet die ik op gevoel de beste vind, niet speel en toch kies voor die “theoretische” zet, die dan net in die stelling toch niet optimaal is.
Samengevat kan ik - zoals in het eerste artikel al aangegeven - stellen dat elke schaker zijn eigen training moet opstellen. Ik heb hierboven mijn insteek gegeven, maar ik kan me voorstellen dat iedereen zijn lievelingsboek heeft, zijn favoriete website, zijn “ideale” trainingsmethode, zijn beschikbare vrije tijd. Belangrijkste punt blijft dat je plezier moet beleven aan het schaken.