eigen foto
Wit beest / zwart beest
Waarom ligt de ene tegenstander ons wel en de andere niet?Ik heb ooit voor de blog van Brabo (https://schaken-brabo.blogspot.com/2012/12/zwart-beest.html) een artikel geschreven over zwarte beesten. Dat is een typisch Vlaamse uitdrukking voor tegenstanders tegen wie je een opvallend slechte score hebt, hoewel je dat volgens de eloverhouding niet zou verwachten.
De lage score tegen de enkele mensen (van gelijkwaardige sterkte) die ik onder mijn zwarte beesten kan tellen, ligt voornamelijk aan twee zaken: onderschatting en het niet durven doorzetten. Daarnaast moet je al een aantal partijen hebben gespeeld tegen dezelfde tegenstander; laat ons zeggen toch minstens een vijftal keren, eer je van een “klant” kan spreken. Zelfs veelspelers met meer dan 2000 partijen gaan nooit tegen elke Belgische speler hebben gespeeld, maar omgekeerd, is het goed mogelijk dat ook zij misschien maar enkele spelers hebben waartegen ze meer dan tien partijen hebben gespeeld. Meestal speel je tegen generatiegenoten in je eigen club misschien een partij of 40 in totaal, maar zoveel generatiegenoten die hun leven lang trouw zijn aan dezelfde club, en dan ook een min of meer gelijke sterkte hebben (zodat je in dezelfde klasse aantreedt), zijn er niet. Als ik even kijk tegen wie ik meer dan tien partijen gespeeld heb, dan is die oogst toch verrassend mager – en de grens werd pas vaak na vijf à tien jaar overschreden.
Maar wat als je zelf iemands zwart beest bent, en die tegenstander dus jouw wit beest? Een wit beest is een speler tegen wie je een opmerkelijk goede score hebt, laat ons zeggen over minstens vijf onderlinge partijen. Met Chessbase kan je dit eenvoudig opvragen, maar ik moet toegeven dat mijn databank wel wat vervuild is door rapidpartijen en dubbele partijen, zodat een vergelijking met enkel bordpartijen als startpunt een beetje mank loopt, en ik dan vaak mijn tijd in het opschonen van mijn databank begin te steken.
Niettemin verbaasde het me dat ik, die jarenlang in het Roeselaars clubkampioenschap heb meegespeeld, toch bij een recente check van mijn statistieken moest vaststellen dat er een paar spelers van mijn nieuwe club (Brasschaat) de top 15 waren binnen gekomen, terwijl ik nog maar een goede drie jaar bij Brasschaat speel. Tegen één speler van Brasschaat heb ik nu zelfs een 5/5 score (hout vasthouden, ik wil het niet jinxen), terwijl we amper 55 elo verschillen. Onze partijen zijn niet speciaal, maar ergens loopt het telkens mis voor mijn tegenstander.
En dat terwijl ik soms de grootste moeite heb om te winnen van (veel) zwakkere spelers, die wel eens durven beton gieten, of tot het bittere einde doorspelen. Ze spelen positioneel niet zo goed, maar kunnen wel keihard verdedigen en je moet ze bij manier van spreken drie keer verslaan eer ze het hoofd buigen. Daar heb ik absoluut geen probleem mee, maar sommige tegenstanders versla je nu eenmaal sneller dan andere. Een andere clubgenoot in Brasschaat, waarmee ik ook ongeveer 80 elo verschil, is voor mij een veel moeilijker noot om te kraken. Uit onze vier onderlinge partijen behaalde ik slechts 2,5 punten, terwijl ik in elke partij wel ergens gewonnen stond. Toeval werkt in twee richtingen, onderstel ik dan.
Dat fenomeen komt ook voor bij topgrootmeesters. Polgar kon aanvankelijk heel vaak winnen van Bareev, die later wel de score gelijk trok. Ook tegen Short had ze een sterke plusscore (ongeveer drie winstpartijen tegen één verliespartij; Shorts score tegen Karpov was zelfs beter dan die tegen Polgar). Tegen Kramnik en Anand had ze een zware minscore (voor elke partij die ze van één van hen won, verloor ze er gemiddeld drie). Kramnik en Anand kunnen verklaard worden door het feit dat ze gemiddeld een kleine 100 elo sterker waren en beide spelers waren vooral natuurtalenten, die positioneel veel beter waren dan Polgar, die misschien minder talent had, maar er in haar jeugd heel hard voor werkte, en daarnaast vooral een tactische sterkte had. Idem voor de (wan)verhouding tussen Kasparov en Shirov (wat één van de redenen was waarom Kasparov Shirov geen WK-match wou gunnen, hoewel daar wel andere factoren speelden). In moderne tijden denken we vooral aan Carlsen-Nakamura. Die strijd ging aanvankelijk zelfs richting Nakamura (5-3 na 14 partijen), maar dan trok Carlsen een sprintje en won (remises niet meegerekend) 15 onderlinge partijen op rij, wat een tijdlang de indruk wekte dat Nakamura geen WK-materiaal was.
Dus – naast toeval – welke verschillen in speelstijl (of algemener: houding) zorgen ervoor dat iemand bijna altijd sterker is dan een andere speler? Op clubniveau (en ver daarboven – Karel Van der Weide stelt zelfs dat tot 2650 veel partijen door een botte blunder verloren gaan) is het tactische element doorslaggevend. Dat merkte ik al meer dan één keer in mijn lopende clubkampioenschap waar ik diverse keren gewonnen kwam te staan, maar toch een paar van die partijen remise moest geven, omdat ik mijn voordeel niet verder tactisch kon verzilveren.
Tactiek speelt dus een rol; een grote blunder beëindigt nu eenmaal de partij. Anders gezegd, als je gemiddelde foutenmarge minder groot is dan die van je tegenstander, heb je meer kans om een partij te winnen. Kleine fouten kan je recht trekken (of de tegenstander profiteert gewoon niet), maar grote fouten vallen op en zijn vaker beslissend.
Een ander element is het geloof in de tegenstander. Als je twee partijen na elkaar tegen dezelfde tegenstander verloren hebt, is er vaak een mentale klik, die – bij nadeel in een derde partij – je sneller doet denken dat de partij weer dezelfde richting zal uitgaan. Je zit als het ware te wachten op de beslissende klap. En dat is dan meteen één van de remedies tegen dergelijke houding: blijven vechten – het is vaak verrassend hoe vaak ik gelijke of verloren stellingen toch nog gewonnen heb, gewoon omdat mijn tegenstander ofwel het winnend voordeel niet kon verzilveren, of zelf blunderde.